Senegal 1999

Maart 1999: voor de tweede keer naar Afrika, West Afrika deze keer en meer bepaald Senegal voor 10 dagen rust en zon in de Club Aldiana (nota 2012: bestaat helaas niet meer). Terwijl ik dit schrijf zit er een CD van Youssou N’Dour in de CD-rom drive, kwestie van onmiddellijk terug in de sfeer te komen.

Sinds we in 1996 een eerste keer in Afrika waren (Kenya) zijn we gebeten door de microbe: eens je in Afrika geweest bent wil je terug, nee, MOET je terug. Mijn verwachtingen waren deze keer niet zo hoog gespannen. Een land dat slechts op 6 uren vliegen van Belgiƫ ligt, dat kon volgens mij nooit zo puur Afrikaans zijn dan bv. Kenya.

De lange rij wachtenden – een mixje van wit en zwart – aan de incheckbalie op Zaventem gaf meteen al de sfeer aan die er aan boord zou heersen. We hadden een combivlucht en die ging zowel naar Dakar als naar Banjul (Gambia). Veel Afrikanen aan boord en die gedragen zich toch wel anders dan de gemiddelde Europeaan: lekker relax in de vliegtuigstoelen hangen, schoenen en sokken uit, benen omhoog (voor zover dat kan). Met de Senegalezen kon je gemakkelijk contact maken, de Gambianen waren wat terughoudender.

Na een vlucht van 6 uren was het toch wel weer even wennen toen we aankwamen op de luchthaven van Dakar: een drukte van jewelste, een enorme zwarte menigte die naar elkaar stonden te roepen en te gillen. De vrouwen gekleed in de meest exotische en kleurrijke Afrikaanse kledij. En we wisten het op slag: ja, we zijn weer in Afrika. Wat ons onmiddellijk opviel is dat de Senegalezen zeer groot en zeer donker van kleur zijn.

We werden op het vliegveld opgewacht door een host van de club en toen we eindelijk na anderhalf uur onze bagage hadden was het nog 2 uur (mini)bus tot in Nianing. De rit ernaartoe was een belevenis op zich: drukte en chaos in de straten, auto’s die bij ons al lang op de schroothoop zouden liggen reden hier dus nog rond, zonder lichten en zonder dak weliswaar, maar ze reden. Minibusjes die gebruikt worden voor publiek transport en bedoeld voor 10/12 mensen zaten afgeladen vol met misschien wel 30 mensen. Geiten, varkens en kippen – alles alive and kicking! – werden op het dak geplaatst samen met de bagage van de reizigers. Behalve een voorruit had zo’n busje noch ramen noch deuren. Elke raam- of deuropening is immers een extra “zitje” voor nog een passagiertje meer. We zagen kinderen, zeer jong nog, op de rijdende bus springen – zwartrijders waarschijnlijk. Tijdens onze reizen trachten we wel eens een uitstapje te maken met het openbaar vervoer. Hier hebben we het “transport en commun” wijselijk gelaten voor wat het was.

Op de lange rit van Dakar naar Nianing zagen we aan de kant van de weg overal standjes met fruit, groenten, kippen, enz. dat door de plaatselijke bevolking aan elkaar doorverkocht of geruild wordt voor wat anders. De ene had 5 bananen en 3 tomaten, zijn buurvrouw 6 ajuinen en een ananas, enz. Het werd avond en op een gegeven moment konden we niks meer zien, straatverlichting is er niet in de dorpjes. Na een tijdje verlieten we de bewoonde wereld en kort nadien bereikten we de club. Licht en elektriciteit in overvloed en het geluid van de tamtam om ons te verwelkomen in deze oase van rust. Twee miljoen vierkante meter clubground stonden tot onze beschikking, met aan de ene zijde de oceaan en 3 km prive strand, aan de andere zijde de enorme savanne met reuze baobab bomen.

Na de welkomstdrink werden we naar onze rundalow gebracht. Wij hadden een rundalow geboekt in de tuin en deze liggen allemaal goed verspreid zodat we absoluut geen last hadden van onze buren. Op het eerste zicht viel de accomodatie wel tegen: oud, zeer “basic” qua comfort (2 eenvoudige bedjes, badkamertje met douche, lawaaierige airco en koelkast). Meer moet je niet hebben natuurlijk, maar van een 4 sterren club hadden wij meer verwacht. Eens we geacclimatiseerd waren beseften we wel dat ook dat deel uitmaakt van de charme van de brousse. Een luxueus hotel zou hier inderdaad misstaan. Alles was trouwens zeer netjes en onze “boy” deed heel erg zijn best om het ons zo aangenaam mogelijk te maken.

De volgende morgen kregen we een prive rondleiding (we waren de enige nieuwe Nederlandstalige gasten) van de Nederlandse animator Jerry. Hij toonde ons wat er allemaal te doen was op sportgebied, de excursiemogelijkheden, waar de animatie plaatsvond, enz. Die avond hadden we ook een “Treff” van nieuwe gasten en Jerry stelde ons aan de andere Belgen, die er langer logeerden, voor. Er waren slechts zes andere Vlamingen en 8 Walen. In de club is het de gewoonte dat je bij elkaar aan tafel schuift daar waar er plaats is. Ik vond dat in het begin vervelend, maar de vaste stamgasten stelden ons al vlug op ons gemak. Het was natuurlijk ook de ideale manier om vlug contact te leggen met de andere gasten.

Het eten in Club Aldiana was ruim zijn 4 sterren waard: prachtige buffetten, enorme keuze vanaf het ontbijt tot en met het avondmaal. Elke avond werden we verwend met een ander themabuffet, een keer was er zelfs een “Wunschbuffet” waarvoor de gasten hun wensen op een briefje konden schrijven. Vermits het overwegend Duitsers waren (95%) aten we dus de volgende avond o.a. Huhnersuppe, Kartoffelsalat, Schweinebraten en zeer veel soorten Kuchen. De laatste avond hadden we een “Black & White” avond. Er wordt dan van de gasten verwacht dat ze zwart/wit gekleed zijn. Na het diner was er altijd wat te doen. Het grote animatieteam werkte uiterst professioneel en de shows die zij ten beste gaven waren echt van hoge kwaliteit. Er was eigenlijk dag en nacht wel wat te doen in de club, ook het sportaanbod was zeer uitgebreid.

Na een dagje luieren in de warme zon, werden we tijdens onze eerste excursie snel weer met de neus op de feiten gedrukt: we bezochten een prive kinderhospitaal dat voor 100% gesponsord wordt door het Duitse leger en gerund door een Duitse en een plaatselijke arts die de hulp krijgen van plaatselijke verpleegsters. Het ziekenhuisje werd 13 jaar geleden gebouwd toen Duitse bezoekers van de club vonden dat er toch dringend wat moest gedaan worden voor het Senegalese volk en in het bijzonder voor de Senegalese toekomst, de kinderen dus. We hebben daar gezien met hoe weinig middelen de kinderen daar kunnen geholpen worden, op voorwaarde dat de ouders niet te lang wachten om hun kinderen te laten verzorgen. Zelfs anno 1999 sterven nog 20% van de Senegalese kinderen voor hun vijfde verjaardag. Malaria en andere parasitaire aandoeningen zijn de voornaamste doodsoorzaak. Toen wij er waren heerste er een epidemie van hersenvliesontsteking en het werd ons ten stelligste ontraden die kinderen te bezoeken. Op de terugweg naar de club viel het op dat iedereen zeer stil en onder de indruk was.

Samen met de andere Belgen hebben we ook een Peul-stam bezocht. De Peul zijn nomadische herders van gemengde rassen (sommige hebben een heel lichte huidskleur) die heel het jaar door het land rondtrekken met hun hele hebben en houden tot ze een plukje gras vinden waar hun vee op kan grazen. Vermits het droog seizoen was, was het echt heel moeilijk om een grasspriet te vinden. Overal was er donker zand met hier en daar verdroogde graanstoppels. De jeugd tracht zelfgemaakte “juwelen” te verkopen aan de toeristen.

Na nog een dagje zwemmen, luieren en veel en lekker eten vonden we het tijd voor onze volgende excursie: onder leiding van een gids een tocht per quad over de savanne en over het strand. Een zeer mooie maar vermoeiende trip langsheen termietenheuvels, enorme baobab bomen die door sommige stammen gebruikt worden om hun doden in te begraven. Ik zat de hele tijd achter op de quad en kan je verzekeren dat je na een rit van 4 uren geradbraakt bent. En hoe we eruit zagen ! Onze armen en benen zagen bijna net zo zwart als die van de Senegalezen. Een tip: trek vooral geen wit T-shirt aan. Ik heb het mijne kunnen weggooien.

De volgende dag was er een uitstap naar het havenstadje M’Bour gepland. Dat hadden we zo kunnen regelen met Usman, een van de barkeepers. De excursies die vanuit de club georganiseerd worden zijn namelijk erg duur. Van mensen die er al een paar keer gelogeerd hadden, wisten we dat de barkeepers graag een centje bijverdienen door de toeristen wat te gidsen. Zij hebben dan wel ergens een vriend (of een vriend van een vriend) met een auto en na wat gediscussieer over de prijs kan je het dan op een akkoordje gooien. Zo zouden wij dus met nog enkele andere mensen naar M’Bour rijden en aansluitend kennismaken met de familie van Usman. Ik keek er echt naar uit … en toen werd ik ziek: rillen van de kou en de koorts. Zo heb ik dus in plaats van kennis te maken met het echte Senegalese leven, de dag in mijn bed doorgebracht (een griepaanval, zo bleek later). Ondanks die tegenvaller hebben we de laatste dagen toch nog genoten van het lekkere weer en de vriendelijke mensen die we tegenkwamen op onze wandelingen langs het strand.

En misschien wel het voornaamste als je de koude Belgische winter bent ontvlucht: we hebben 10 dagen niets dan zon en helderblauwe lucht gezien van 7u30 ’s morgens tot 7u30 ’s avonds. Zonder een wolkje !!

Wat ik nog zeggen wilde: wij gaan zeker terug, want ik moet nog naar M’Bour.