Madeira, Ilha das Flores

One of the highest volcanoes in the world surrounded by one of the deepest seas. That’s Ilha da Madeira.

This beautifully green island, with peaks upto 1900m, forms just the upper part of a volcanic system. Beneath the waves of the sea, the cliffs of Madeira plunge to the bottom of the ocean to a depth of more than 4000m. The various eruptions that created the Island of Madeira have added time after time different layers of solid rocks. All over the island you can see the rolling hills of basalt, lava, boulders and compressed ashes. A really rough scenery, especially at the eastern tip.

The inner part of the island is extremely green and has large woods of loureiro (laurel, bayleaf), eucalyptus and mimosa. The soil is rich and produces a large variety of tropical fruits and vegetables.

Madeira is a fascinating island of high mountains (over 1800m) and deep valleys, flat plateaus at both sides of the central mountain massif, a crystalclear blue ocean and steep black cliffs.

Eastern Madeira in one day:
We started in Funchal and drove over the Via Rapida to Santa Cruz where we tried to visit the church (which was closed, like most churches in Madeira). We walked along the rocky beach for a while instead.
Then further to Machico where, again, the church & the Capela dos Milagres were closed! We went to a sunny terrace instead and had a glass of madeira wine.
From Machico we drove further to Caniçal. We drove by because we knew we would come back for lunch. So, further it went to Ponta de São Lourenço. Spectacular scenery! There is a possibility of hiking all the way to the end of the island but, first of all, we’re not trained hikers and, second, the condition of the paths can be very bad due to the heavy rainfall. After looking at the bare cliffs and admiring the colors of the various layers of lava we drove back to Caniçal for lunch.
From Caniçal we drove to Santana, known for its triangular houses (which are now in fact all set up for tourist). The scenic drive however is well worth your time. Sometimes you can smell the eucalyptus woods. And there were lots of blooming mimosa forests.
From Santana we drove back to Funchal over mountains and through valleys, through laurel forests and very nice landscapes.

Western Madeira in one day:
We started in Funchal and drove along the winding mountain roads to Câmara de Lobos where we stopped for some sight-seeing. Normally our next stop would have been Cabo Girão, but the weather was so extremely bad that we decided to continue our drive.
In Câmara de Lobos we took the Via Rapida to Ribeira Brava and from thereone we drove north in the direction of São Vicente. We took the old road to Boca da Encumeada (1007m) and walked up to the miradouro for what should have been a splendid view on the southcoast as well as on the northcoast if there wouldn’t have been these thick low hanging clouds…
From Boca da Encumeada we drove in the direction of Porto Moniz and crossed the high plateau of Paúl da Serra (1500m) where, again, we didn’t see anything at all because of the mist.
Rabaçal would be our next stop and our aim was to make a levada walk. But again the bad weather interfered.
Further to Porto Moniz then. The weather got a little better and it’s in this area that we saw some very nice wild flowers (calla lilies, arums, and other unknown species). We walked around Porto Moniz and had lunch. After lunch we drove in eastern direction. The high cliffs between Porto Moniz and Seixal are spectacular with lots of waterfalls coming from the mountains. If you drive the old road (Antiga 101 – in the other direction: from Seixal to Porto Moniz) you can drive under the waterfalls. Our last stop was in São Vicente that we visited in the pouring rain. Then back to Funchal (through the tunnels) which takes only an hour.

Walking along levadas:
Levada’s are small irrigation canals that ‘transport’ the rain water from the north to the south of the island. There are some 1600 levada’s on the island and along each levada there’s a walking path – difficulty degree 1 upto 4. The levada walks have been mapped out in the guidebook “Landscapes of Madeira” by Sunflower Books. There are easy and short walks but also long and difficult walks that go through long tunnels (don’t forget a torch!), waterfalls and along deep gorges.

Have some madeira, m’dear.
What would a visit to Madeira mean without getting to know their national drink, madeira wine?! Madeira wine ows its rich taste to the variety of grapes that is used.
The four important varieties of madeira wine have been named after their grape variety:
SERCIAL: amber colored dry madeira wine (seco)
VERDELHO: yellow-brown medium dry madeira wine (meio seco)
BOAL: reddish-brown medium sweet madeira wine (meio doce), my personal favourite
MALMSEY: sweet madeira wine (doce).

Sri Lanka & De Malediven

Azië was van 31/1 tot 15/2/2001 ons reisdoel en meer bepaald het eiland Sri Lanka met als toemaatje een weekje rust op de Malediven. Een reis met enkele hindernissen …

In Roosendaal ging het al fout: trein gemist dankzij foutieve informatie van de loketbediende. En bij de volgende trein was het weer bijna zover … nog net op tijd konden we erop springen. Op Schiphol aangekomen waren we in enkele minuten ingecheckt – daar kunnen ze in Brussel nog wat van leren! Het vliegtuig waar we mee de lucht in moesten was heel wat minder: een oude Boeing 757-200, qua ruimte en comfort nog net geschikt om eens over en weer mee naar Spanje te vliegen. Slechte reclame voor Martinair, hoewel de service aan boord pico bello was, zoals we dat van hen gewend zijn.

Na 7 uren krap te hebben gezeten mochten we in Abu Dhabi even onze benen strekken. We kwamen plots in een totaal andere wereld terecht met veel pracht en praal en al goud wat blinkt (letterlijk, door de talloze juwelenshops in het luchthavengebouw), met mannen in djellabah en een grote tulband om hun hoofd, met gesluierde vrouwen waarbij alleen hun gitzwarte ogen zichtbaar waren, … zeer mysterieus en fascinerend. Ik had er wel enkele dagen willen blijven. Maar Sri Lanka lonkte ook.

DAG 1
Na nog +/- 4 uren vliegen landden we op Katunayake International Airport te Colombo. Het was toen 5u30 ’s morgens plaatselijke tijd en zo’n 24°, vochtig en warm. We werden verwelkomd door een host van Jetair die ons begeleidde naar hotel Taj Samudra waar we enkele uren konden bekomen alvorens onze chauffeur ons zou komen ophalen voor de stadsrondrit. En hier ging het voor de tweede keer mis: de individuele rondreis die wij in België geboekt hadden was in Colombo als groepstour geboekt. Gelukkig bestond de “groep” slechts uit één ander koppel en zo hebben we een weekje met ons vieren, plus de plaatselijke chauffeur, plus de Belgische tourleader in een minibusje rondgetoerd.

Al van bij de stadsrondrit in Colombo werden we geconfronteerd met het hectische verkeer in de Sri Lankaanse steden. Het is de bedoeling dat er links gereden wordt, maar doordat op die ene weg alles door elkaar rijdt en loopt – en hier spreken we dus over auto’s, bussen, tuk-tuk’s (three-wheelers), fietsers, voetgangers, ossenwagens, honden en niet te vergeten de heilige koeien – wordt er meestal gewoon in het midden van de baan gereden. Meer dan eens hebben we rakelings een tegenligger gepasseerd en even dikwijls hebben we ons hart vastgehouden. We hebben ook begrepen, en vooral gehoord, dat de claxon het belangrijkste onderdeel is aan de wagen.

DAG 2

Na een deugddoende nachtrust in het wat tegenvallende Taj Samudra (een typisch hotel van een keten) mochten we de volgende dag om 7 u aantreden voor onze eerste etappe: via Pinnawela naar Kandy. In Pinnawela bezochten we de olifanten uit het olifantenweeshuis die juist voor hun dagelijks bad door de mahouts naar de rivier waren gebracht. Het had de laatste dagen nogal wat geregend en de dieren hadden er schijnbaar niet echt veel zin in.

Deze rit door enorme palmenwouden en langsheen bananen- en ananasplantages zullen we niet licht vergeten. Aan ieder fruitstandje langs de weg moesten we even stoppen en proeven van alles wat de natuur hier aan sappige vruchten te bieden heeft: bananen klein en groot in het groen, rood en geel, ananassen, lychee’s, ramboutans, mangaoustines, jackfruit, enz.

Zo kwamen we tegen de middag aan in hotel Mahaweli Reach, gelegen aan de Mahaweli Ganga (=rivier) in Kandy. En hotel met klasse waar service nog met een grote S geschreven wordt. Na de lunch maakten we een stadsrondrit in het mooie Kandy, voormalige hoofdstad van het Singalese koninkrijk. Ook een bezoek aan de door de Engelsen gestichte Botanische Tuinen van Peradeniya stond op het programma. Buiten orchideeën en de overal aanwezige lotusbloemen zie je daar tal van andere kleurrijke bloemen zoals hibiscus, frangipani, bougainvilla, enz. Verder staat daar alles wat wij aan kamerplanten kennen in het groot, o.a. een ficus benjamina met een bladerdek van 12 meter diameter. Natuurlijk ook diverse soorten palmbomen en een nooit geziene “canonballtree” met, inderdaad, vruchten die eruit zien als kanonballen.

Tegen de avond brachten we een bezoek aan de mooi verlichte Dalada Maligawa, beter bekend als de Tempel van de Heilige Tand. Zoals overal bij tempelbezoek moesten de schoenen uit en werden de lange rokken en broeken bovengehaald. Vanwege de bomaanslag door de Tamils enkele jaren geleden is de controle aan de tempel enorm streng en we werden dan ook 2x uitvoerig gefouilleerd alvorens we de tempel mochten betreden. De heilige tand van Boeddha hebben we niet gezien, die zit veilig opgeborgen in een schrijn dat bestaat uit zeven in elkaar passende gouden dagoba’s (ook stupa genoemd). Nog dagelijks komen devote boeddhisten hier hun offers afgeven. Na het tempelbezoek stond er nog een culturele dansshow op het programma. Daarna koers gezet naar het hotel voor een heerlijk diner met o.a. chillied crab. Zeer hot, maar lekker.

DAG 3

We mochten uitslapen en moesten “pas” om 8 u op het appel zijn voor onze volgende etappe. Deze voerde ons door het schitterende groene bergland, met zicht op de rijstvelden beneden ons, naar Katukitula waar we de theepluksters, meestal Tamil vrouwen gekleed in kleurige sari’s, aan het werk zagen. Ik vroeg mij af hoe lang het duurt voor ze de mand die op hun rug hangt gevuld hebben met de jonge scheutjes … en hoeveel, of liever hoe weinig, ze betaald worden voor deze slavenarbeid. Veel van de plantages hebben een mooie naam, een beetje zoals de wijngaarden in Zuid Afrika. Zeg nu zelf: Stellenberg Estate, Rotschild Estate, het heeft toch iets! Na een bezoek aan de theefabriek en onze aankopen van BOPF (broken orange pecoe fannings) thee voor thuis (450 Rs per kilo = /- 275 BF) brachten we nog een bezoek aan een van de vele juwelenateliers waar ik mij NIET heb laten verleiden tot de aankoop van een of andere (half)edelsteen. Hoewel er hele mooie tussen zaten.

Onderweg nog even gestopt aan de Ramboda Falls en in Kandy een bezoek gebracht aan de Sri Selva Vinayagar hindoetempel. Een heel verschil met de sobere boeddhistische tempels. Nadien hebben we ons door een tuk-tuk naar ons hotel laten rijden. Eens een keertje wat anders!

DAG 4

7u30 present voor de rit naar Sigiriya. Onderweg een batikbedrijfje bezocht en de Ranweli Spice Garden waar we genoten hebben van een relaxerende ayurvedische massage. Verder stond er in de voormiddag een bezoek aan het Dambulla grottenklooster op het programma waar vooral de eerste grot bekend is om zijn 14 m lange beeld van een stervende boeddha dat uit de granietrots is gehouwen. Op onze weg naar de grotten werden we begeleid door bedelaars en apen. We lunchten in hotel Sigiriya vlakbij Sigiriya Rock en het leek mij en onze reisgenote verstandig om de klim van de 1200 trappen maar over te slaan en in plaats daarvan lekker wat uit te rusten. We hadden – vanwege de hitte – al zo’n moeite gehad met de trappen naar Dambulla! Na de terugkeer van onze mannen ging het tegen ongeveer 30 km/u richting Giritale waar we onze intrek namen in hotel Deer Park, zeer mooi gelegen in het midden van de jungle.

DAG 5

In het gezelschap van een aantal eekhoorntjes namen we ’s morgens ons ontbijt. Na het ontbijt volgde er – figuurlijk dan – een koude douche. Onze tourleader had zopas een fax ontvangen dat ons hotel op de Malediven overboekt was, maar daarover later meer.
Die dag bezochten we het archeologisch gebied van Anuradhapura, een van de heiligste plaatsen in Sri Lanka alsook tot in het jaar 1017 de hoofdstad van het land. De ruïnes liggen verspreid over een vrij grote oppervlakte maar wat hier nog overeind staat zijn in feite nog juist de kloosterruïnes, en de enige echte heilige bo-boom (bodha tree). Uiteraard ook hier weer diverse dagoba’s en witte stupa’s die je overal bovenuit ziet steken.

Na de middag bezochten we het 14 m hoge rechtopstaande boeddhabeeld in Aukana, het grootste sculptuurmonument van Sri Lanka.

Onderweg genoten we nog van enkele kleurrijke en typische tafereeltjes zoals badende mannen in de rivier, boeddhistische monniken in hun oranje sarongs oude houten vrachtwagens geschilderd in felle kleurtjes, spoorlijnen die vaak ook door voetgangers gebruikt worden, een groep schoolkinderen (op schoolreis ?) in smetteloos wit uniform.

Onze gids vertelde ons ook dat onderwijs gratis is tot de leeftijd van 16 jaar en dat de kinderen ook een volledige “schooluitrusting” ter beschikking krijgen waaronder het smetteloos witte uniform.

Voor het diner nog even tijd voor een partijtje zwemmen en een relaxerende ayurvedische hoofdmassage in hotel Deer Park.

DAG 6

Een lange dag voor de boeg: van Giritale helemaal naar het zuiden van Colombo waarbij we niet anders kunnen dan dwars doorheen de hoofdstad. In de voormiddag een bezoek gebracht aan het paleizencomplex van Polonnaruwa, gelegen aan het enorme stuwmeer Parakrama Samudra (de “zee” van Parakramabahu, een van de Singalese koningen). Polonnaruwa is vooral bekend vanwege de indrukwekkende boeddhafiguren in de Gal-viharaya: vier grote uit de rots gehakte beelden waarvan het bekendste ongetwijfeld de 14 m lange liggende boeddha is die de overgang van het aardse leven naar het nirwana moet voorstellen.

Langs de weg nog even gestopt om de arbeiders op de rijstvelden gade te slaan en gesnoept van een potje curd (= buffelkaas) met palmhoning en dan koers gezet naar Negombo, een vissersplaatsje waar ’s morgens de vissersboten binnenkomen en de vissersvrouwen zich de hele dag bezighouden met het sorteren, het verkopen en het drogen van de vis. Een stinkende bedoening als je het mij vraagt.

Negombo was de enige plaats waar wij echt overrompeld werden door bedelende kinderen. Er werd ons dan ook door onze chauffeur gevraagd deze kinderen zeker geen geld te geven. Zij weten dat veel toeristen niet aan hun zwarte oogjes kunnen weerstaan en daarom verzuimen zij de school. Dan maar vlug terug de auto in op weg naar onze laatste pleisterplaats: hotel Mount Lavinia, een oud maar zeer mooi gerenoveerd hotel in koloniale stijl, spierwit geschilderd, waar ze “valet parking” heel gewoon is en waar de portiers in stijl gekleed zijn: tropenpak bestaande uit witte bermuda, witte vest en witte tropenhelm. In een woord: schitterend! Het hotel heeft een mooi privé strand, het enige privéstrand van de hele westkust. Bij het verlaten van het privé terrein word je erop attent gemaakt dat je de private zone verlaat en word je dus ook constant lastiggevallen door mensen die je van alles willen laten zien en je overal mee naar toe willen nemen. Niet doen, ze zijn alleen maar op je geld uit.

DAG 7

Een dagje gerust en geluierd aan zwembad en strand. Ook de bevestiging gekregen dat het door ons geboekte hotel op de Malediven overboekt was en dat we, ondanks faxen en e-mails, naar een hotel-eilandje werden overgebracht dat in feite niet eens in onze Top-10 voorkwam. Jammer van de maandenlange voorbereiding en de mooie dromen. ’s Avonds vroeg het bed in, want ’s nachts om 2u werden we alweer gewekt voor onze transfer naar Colombo airport voor de vlucht van 7u30 naar Male.

MALEDIVEN

Kort voor de landing zagen we de eilanden al liggen, als lichtblauwe druppels in de donkerblauwe oceaan. Aankomst te Male 7u40 plaatselijke tijd na een comfortabele vlucht met Sri Lankan Airlines. Bij de douanecontrole in dit streng islamitische land mochten we alvast een van onze koffers openen omwille van een minuscuul ebbenhouten boeddhabeeldje. We wisten wel dat er geen anti-islamitische voorwerpen (en ook geen alcoholische dranken) binnen mochten, maar zo’n klein beeldje en zo goed verstopt tussen het vuile wasgoed, dat zouden ze nooit ontdekken … dachten wij. De gestapo-achtige vrouw in kwestie die ons sommeerde om de koffer te openen wist ons precies te vertellen waar het beeldje zat. Die screening apparaten moeten daar wel van hele goeie kwaliteit zijn! Enfin, beeldje ingeleverd en bij terugkeer naar huis konden we het terug ophalen. Net zoals zovele anderen.

Het vliegveldje van Male was eigenlijk niet meer dan een wat groot uitgevallen ponton met luchthavengebouwtje in het midden van de Indische Oceaan. Eenmaal buitengekomen zagen we dat er van alle hotel-eilanden vertegenwoordigers aanwezig waren om hun klanten op de juiste boot te zetten. Samen met nog een aantal andere toeristen gingen we aan boord van de dhoni die ons in 20 minuten naar het eiland Furanafushi bracht waar het Full Moon Island Resort gelegen is. Furana is een eiland van 800m lang en heeft een gemiddelde breedte van 100m met op het einde een uitstulping tot zo’n 300m breed. Het is omgeven door witte stranden van het fijnste koraalzand, heeft aan de ene kant een mooie lagune waarin je eindeloos kan blijven doorlopen en waar het nooit echt diep wordt. Aan de andere kant een huisrif met nogal wat stroming maar met ontelbare vissen, in alle soorten, maten en kleuren. Aan deze kant was onze waterbungalow met terras gelegen, met een trapje waarlangs we zo de zee in konden. Bij het snorkelen ’s morgens vroeg kwamen we wel eens rifhaaien tegen, en geen kleintjes!

Ook de “binnenkant” van het eiland was zeer mooi verzorgd en dicht begroeid met palmbomen en andere tropische boomsoorten, met in het midden van het eiland een banyan tree (symbool van de Malediven) en zeer veel bloeiende planten.

Dag in dag uit waren er mannen in de weer om takjes en twijgjes te knippen en om verdorde bladeren en bloemen weg te halen. ’s Avonds na zonsondergang werden alle losgekomen stukjes koraal van het strand verwijderd zodat dit er tegen zonsopgang weer maagdelijk wit bijlag. Ook het zwembad was mooi verzorgd en lag midden tussen de tropische begroeiing.

Het viel op dat het er overal zeer rustig was. Zelf hebben we die week ook niet veel gedaan buiten wat snorkelen, duiken en vissen kijken. Vooral de babysharks waren het bekijken waard omdat ze constant scholen kleine visjes aan het uitdagen waren. De laatste dag hebben we nog – op het nippertje, bijna vergeten! – een flesje met zand gevuld dat nu staat te pronken bij de rest van de verzameling. Het moet gezegd: het is het witste zand dat we tot nu toe hebben.

Wat duiken betreft vond mijn echtgenoot het niet zo bijzonder als hij verwacht had, ten eerste omdat al het koraal er dood is en ten tweede omdat hij niet spectaculair veel vissen gezien heeft. Mensen die gaan om grote vissen te zien (haaien, manta’s, enz.) zullen er met wat geluk wel aan hun trekken komen.

Voor ons was het eilandje wat klein. Als niet-duiker en niet-snorkelaar kan je weinig anders doen dan zonnen (wat tussen 11u en 16u echt niet te doen was vanwege de ondraaglijke hitte), wat lezen en eens een wandelingetje maken rond het eiland. Jammer dat je dan in 20 minuten al rond bent. Daarom hadden we ook speciaal gekozen voor een “groot” eiland (het eiland dat we geboekt hadden was 2000x500m).

SLOT
Al bij al vonden wij Sri Lanka een parel van een eiland en hebben we vooral erg genoten van de schitterende natuur.

De Malediven vonden wij wat overroepen en goed voor een lay-over van een paar dagen tussen twee vluchten in. Wat stranden betreft hebben wij er zeker zo’n mooie gezien in Kenya en wat het duiken betreft vond mijn echtgenoot de Rode Zee veel mooier.

Senegal 1999

Maart 1999: voor de tweede keer naar Afrika, West Afrika deze keer en meer bepaald Senegal voor 10 dagen rust en zon in de Club Aldiana (nota 2012: bestaat helaas niet meer). Terwijl ik dit schrijf zit er een CD van Youssou N’Dour in de CD-rom drive, kwestie van onmiddellijk terug in de sfeer te komen.

Sinds we in 1996 een eerste keer in Afrika waren (Kenya) zijn we gebeten door de microbe: eens je in Afrika geweest bent wil je terug, nee, MOET je terug. Mijn verwachtingen waren deze keer niet zo hoog gespannen. Een land dat slechts op 6 uren vliegen van België ligt, dat kon volgens mij nooit zo puur Afrikaans zijn dan bv. Kenya.

De lange rij wachtenden – een mixje van wit en zwart – aan de incheckbalie op Zaventem gaf meteen al de sfeer aan die er aan boord zou heersen. We hadden een combivlucht en die ging zowel naar Dakar als naar Banjul (Gambia). Veel Afrikanen aan boord en die gedragen zich toch wel anders dan de gemiddelde Europeaan: lekker relax in de vliegtuigstoelen hangen, schoenen en sokken uit, benen omhoog (voor zover dat kan). Met de Senegalezen kon je gemakkelijk contact maken, de Gambianen waren wat terughoudender.

Na een vlucht van 6 uren was het toch wel weer even wennen toen we aankwamen op de luchthaven van Dakar: een drukte van jewelste, een enorme zwarte menigte die naar elkaar stonden te roepen en te gillen. De vrouwen gekleed in de meest exotische en kleurrijke Afrikaanse kledij. En we wisten het op slag: ja, we zijn weer in Afrika. Wat ons onmiddellijk opviel is dat de Senegalezen zeer groot en zeer donker van kleur zijn.

We werden op het vliegveld opgewacht door een host van de club en toen we eindelijk na anderhalf uur onze bagage hadden was het nog 2 uur (mini)bus tot in Nianing. De rit ernaartoe was een belevenis op zich: drukte en chaos in de straten, auto’s die bij ons al lang op de schroothoop zouden liggen reden hier dus nog rond, zonder lichten en zonder dak weliswaar, maar ze reden. Minibusjes die gebruikt worden voor publiek transport en bedoeld voor 10/12 mensen zaten afgeladen vol met misschien wel 30 mensen. Geiten, varkens en kippen – alles alive and kicking! – werden op het dak geplaatst samen met de bagage van de reizigers. Behalve een voorruit had zo’n busje noch ramen noch deuren. Elke raam- of deuropening is immers een extra “zitje” voor nog een passagiertje meer. We zagen kinderen, zeer jong nog, op de rijdende bus springen – zwartrijders waarschijnlijk. Tijdens onze reizen trachten we wel eens een uitstapje te maken met het openbaar vervoer. Hier hebben we het “transport en commun” wijselijk gelaten voor wat het was.

Op de lange rit van Dakar naar Nianing zagen we aan de kant van de weg overal standjes met fruit, groenten, kippen, enz. dat door de plaatselijke bevolking aan elkaar doorverkocht of geruild wordt voor wat anders. De ene had 5 bananen en 3 tomaten, zijn buurvrouw 6 ajuinen en een ananas, enz. Het werd avond en op een gegeven moment konden we niks meer zien, straatverlichting is er niet in de dorpjes. Na een tijdje verlieten we de bewoonde wereld en kort nadien bereikten we de club. Licht en elektriciteit in overvloed en het geluid van de tamtam om ons te verwelkomen in deze oase van rust. Twee miljoen vierkante meter clubground stonden tot onze beschikking, met aan de ene zijde de oceaan en 3 km prive strand, aan de andere zijde de enorme savanne met reuze baobab bomen.

Na de welkomstdrink werden we naar onze rundalow gebracht. Wij hadden een rundalow geboekt in de tuin en deze liggen allemaal goed verspreid zodat we absoluut geen last hadden van onze buren. Op het eerste zicht viel de accomodatie wel tegen: oud, zeer “basic” qua comfort (2 eenvoudige bedjes, badkamertje met douche, lawaaierige airco en koelkast). Meer moet je niet hebben natuurlijk, maar van een 4 sterren club hadden wij meer verwacht. Eens we geacclimatiseerd waren beseften we wel dat ook dat deel uitmaakt van de charme van de brousse. Een luxueus hotel zou hier inderdaad misstaan. Alles was trouwens zeer netjes en onze “boy” deed heel erg zijn best om het ons zo aangenaam mogelijk te maken.

De volgende morgen kregen we een prive rondleiding (we waren de enige nieuwe Nederlandstalige gasten) van de Nederlandse animator Jerry. Hij toonde ons wat er allemaal te doen was op sportgebied, de excursiemogelijkheden, waar de animatie plaatsvond, enz. Die avond hadden we ook een “Treff” van nieuwe gasten en Jerry stelde ons aan de andere Belgen, die er langer logeerden, voor. Er waren slechts zes andere Vlamingen en 8 Walen. In de club is het de gewoonte dat je bij elkaar aan tafel schuift daar waar er plaats is. Ik vond dat in het begin vervelend, maar de vaste stamgasten stelden ons al vlug op ons gemak. Het was natuurlijk ook de ideale manier om vlug contact te leggen met de andere gasten.

Het eten in Club Aldiana was ruim zijn 4 sterren waard: prachtige buffetten, enorme keuze vanaf het ontbijt tot en met het avondmaal. Elke avond werden we verwend met een ander themabuffet, een keer was er zelfs een “Wunschbuffet” waarvoor de gasten hun wensen op een briefje konden schrijven. Vermits het overwegend Duitsers waren (95%) aten we dus de volgende avond o.a. Huhnersuppe, Kartoffelsalat, Schweinebraten en zeer veel soorten Kuchen. De laatste avond hadden we een “Black & White” avond. Er wordt dan van de gasten verwacht dat ze zwart/wit gekleed zijn. Na het diner was er altijd wat te doen. Het grote animatieteam werkte uiterst professioneel en de shows die zij ten beste gaven waren echt van hoge kwaliteit. Er was eigenlijk dag en nacht wel wat te doen in de club, ook het sportaanbod was zeer uitgebreid.

Na een dagje luieren in de warme zon, werden we tijdens onze eerste excursie snel weer met de neus op de feiten gedrukt: we bezochten een prive kinderhospitaal dat voor 100% gesponsord wordt door het Duitse leger en gerund door een Duitse en een plaatselijke arts die de hulp krijgen van plaatselijke verpleegsters. Het ziekenhuisje werd 13 jaar geleden gebouwd toen Duitse bezoekers van de club vonden dat er toch dringend wat moest gedaan worden voor het Senegalese volk en in het bijzonder voor de Senegalese toekomst, de kinderen dus. We hebben daar gezien met hoe weinig middelen de kinderen daar kunnen geholpen worden, op voorwaarde dat de ouders niet te lang wachten om hun kinderen te laten verzorgen. Zelfs anno 1999 sterven nog 20% van de Senegalese kinderen voor hun vijfde verjaardag. Malaria en andere parasitaire aandoeningen zijn de voornaamste doodsoorzaak. Toen wij er waren heerste er een epidemie van hersenvliesontsteking en het werd ons ten stelligste ontraden die kinderen te bezoeken. Op de terugweg naar de club viel het op dat iedereen zeer stil en onder de indruk was.

Samen met de andere Belgen hebben we ook een Peul-stam bezocht. De Peul zijn nomadische herders van gemengde rassen (sommige hebben een heel lichte huidskleur) die heel het jaar door het land rondtrekken met hun hele hebben en houden tot ze een plukje gras vinden waar hun vee op kan grazen. Vermits het droog seizoen was, was het echt heel moeilijk om een grasspriet te vinden. Overal was er donker zand met hier en daar verdroogde graanstoppels. De jeugd tracht zelfgemaakte “juwelen” te verkopen aan de toeristen.

Na nog een dagje zwemmen, luieren en veel en lekker eten vonden we het tijd voor onze volgende excursie: onder leiding van een gids een tocht per quad over de savanne en over het strand. Een zeer mooie maar vermoeiende trip langsheen termietenheuvels, enorme baobab bomen die door sommige stammen gebruikt worden om hun doden in te begraven. Ik zat de hele tijd achter op de quad en kan je verzekeren dat je na een rit van 4 uren geradbraakt bent. En hoe we eruit zagen ! Onze armen en benen zagen bijna net zo zwart als die van de Senegalezen. Een tip: trek vooral geen wit T-shirt aan. Ik heb het mijne kunnen weggooien.

De volgende dag was er een uitstap naar het havenstadje M’Bour gepland. Dat hadden we zo kunnen regelen met Usman, een van de barkeepers. De excursies die vanuit de club georganiseerd worden zijn namelijk erg duur. Van mensen die er al een paar keer gelogeerd hadden, wisten we dat de barkeepers graag een centje bijverdienen door de toeristen wat te gidsen. Zij hebben dan wel ergens een vriend (of een vriend van een vriend) met een auto en na wat gediscussieer over de prijs kan je het dan op een akkoordje gooien. Zo zouden wij dus met nog enkele andere mensen naar M’Bour rijden en aansluitend kennismaken met de familie van Usman. Ik keek er echt naar uit … en toen werd ik ziek: rillen van de kou en de koorts. Zo heb ik dus in plaats van kennis te maken met het echte Senegalese leven, de dag in mijn bed doorgebracht (een griepaanval, zo bleek later). Ondanks die tegenvaller hebben we de laatste dagen toch nog genoten van het lekkere weer en de vriendelijke mensen die we tegenkwamen op onze wandelingen langs het strand.

En misschien wel het voornaamste als je de koude Belgische winter bent ontvlucht: we hebben 10 dagen niets dan zon en helderblauwe lucht gezien van 7u30 ’s morgens tot 7u30 ’s avonds. Zonder een wolkje !!

Wat ik nog zeggen wilde: wij gaan zeker terug, want ik moet nog naar M’Bour.

Kenya 1996

18 september 1996 – luchthaven Zaventem
19u30 check-in
21u15 boarding
21u45 ready for take-off.
Eindelijk zou onze lang gekoesterde droom werkelijkheid worden: een safari in Kenya. Omdat we 20 jaar getrouwd zijn, mag het eens een ietsje meer zijn.

Na een 8u durende vermoeiende vlucht landen we de volgende morgen in Mombasa. Hoewel het nog vroeg is (7u45) brandt de zon al ongenadig. Bij het buitenkomen van de luchthaven worden we onmiddellijk geconfronteerd met de armoede in het land: kreupele bedelaars staan in een rijtje aan te schuiven voor een aalmoes. Onze host loodst zijn klanten behendig door de wirwar van kleine en grote donkere mensen.

Op een vrij vlotte manier worden de vele toeristen ingedeeld al naargelang de geboekte safari. Wij komen, samen met nog 2 andere koppels, terecht in het minibusje van gids-chauffeur Mohamed. Nadat hij al onze bagage in de kleine bagageruimte van het busje heeft gepropt vertrekken we op safari. Eens we goed en wel de stad uit zijn zitten we onmiddellijk midden in de overweldigende natuur. De zalige stilte doet deugd na de drukte in Mombasa. Van de rit naar het eerste wildpark herinner ik me weinig, te moe van de reis om te kunnen genieten.

Na 150 km “piste” komen we tegen de middag aan in het Tsavo West National Park, een park van 7500 km2 groot. Het is er vochtig en zeer warm. We zullen een nachtje logeren in de Kilaguni Lodge, de eerste safarilodge van Kenya, gebouwd in 1962 met een schitterend uitzicht over de vulkanische Chyulu Hills en de majestueuze Kilimanjaro. We worden begroet door bavianen, salamanders, maraboes en mangoesten. Onze tijdelijke “huisdieren”, zeg maar. Als welkom krijgen we iets te drinken op de veranda. Vlak daarachter ligt een waterplas waar een kudde zebra’s staat te drinken.

Later zien we daar nog talloze andere parkbewoners. Onze kamer is eenvoudig maar netjes: 2 smalle bedjes met een muskietennet, een doucheruimte en WC. En in de plaats van glas een vliegengaas in de vensters en de buitendeur.

Na een duik te hebben genomen in het zwembad(je) doen we in de late namiddag onze eerste gamedrive: een rit in de natuur, op zoek naar wild. Na enkele ogenblikken al passeren we een tiental impala’s, wat verder zien we struisvogels en waterbokken. Na een heerlijke maaltijd gaan we vroeg naar bed, lekker slapen … dachten we! ’s Nachts worden we gewekt door vreemde geluiden. Ik, angsthaas die ik ben, durf mijn bed niet uit en tracht de aandacht van mijn slapende echtgenoot te trekken. De geluiden gaan maar door. Bij de buren hoor ik ook gestommel. Voor mij het bewijs dat er echt wel iets is, dat ik het niet droom. Mijn man tracht in de donkere nacht te kijken, ziet of hoort niets en kruipt terug zijn bed in. Na een tijdje sukkel ook ik terug in slaap. De volgende morgen worden we opgewacht door onze reisgenoten met de vraag “hebben jullie de olifant gezien vannacht” ? Die schijnt dus de halve nacht in onze “achtertuin” te hebben staan grazen en de kracht waarmee het dier bosjes gras uit de grond trok, was dus het geluid waarvan wij wakker waren geworden.

De volgende morgen vroeg op pad voor een rit naar Mzima Springs, bronnen die per dag zo’n 20 miljoen liter water leveren aan o.a. de stad Mombasa. Het krioelt er van de bavianen. De krokodillen in de rivier zijn te lui om zich te laten zien. Na de lunch vertrekken we richting Amboseli National Park, een lange rit die we in konvooi moeten rijden met voor- en achteraan gewapende politie. Enkele maanden geleden is hier nog een busje met Belgische toeristen overvallen. Niet aan denken en proberen te genieten. We rijden dwars door de Chyulu Hills met prachtige vergezichten. Onderweg zien we in de verte onze eerste giraf. We vragen de chauffeur om rechtsomkeer te maken om het dier van dichterbij te kunnen zien. De man lacht en keert terug. Later begrijpen we waarom hij lachte: we zouden nog wel 100 giraffen zien. Ook leeuwinnen kruisen ons pad en schattige dik-diks (mini antilopen). Plots zitten we midden in het wild: enorme kuddes gnoes, olifanten in alle maten, buffels en zebra’s in overvloed, grants gazelles, thomson’s gazelles, buffels, kudu’s, jakhalzen en gieren die de laatste restjes van een kadaver oppeuzelen.

Tegen de avond kunnen we genieten van een prachtige ondergaande zon boven de uitgestrekte steppe.

Onze tweede pleisterplaats is de luxueuse Amboseli Serena Lodge, gebouwd als een Masai-dorp in het Amboseli National Park. Hier zullen we twee nachten blijven. Het park is 3920 km2 groot en gelegen op 1170 m hoogte. Heet overdag en koel ’s nachts dus. De tuin van deze lodge is schitterend aangelegd en heeft een mooi en uitnodigend zwembad. We zien de prachtigste bloemen en bomen en veel kleurrijke vogels.

Het scenario van de vorige dag herhaalt zich: ’s ochtens vroeg, voor dag en dauw en na een snelle kop koffie, onze eerste gamedrive. Actie deze keer: een buffel en een hyena vechten om een stuk vlees (antiloop??). De bloeddorstige hyena wint de strijd. Ondertussen hebben wij ook honger gekregen en rijden we terug richting lodge voor een uitgebreid ontbijt. De vervet monkeys houden ons van op een afstandje gezelschap en zodra we aanstalten maken om naar het buffet te gaan springen ze op tafel om te zien of er al wat te stelen valt. Mooie dieren, maar gevaarlijk!

In de namiddag brengen we een bezoek aan een Masai nederzetting. Deze nederzettingen bevinden zich midden in de savanne op honderden kilometers van de bewoonde wereld en de dorpelingen hebben alleen hun benen om zich te verplaatsen. Geen wonder dus dat er onder de Kenianen zoveel goede lange-afstandslopers zijn. De Masai leven van het bloed van hun koeien en geiten en van de opbrengst van de jacht. De vrouwen bouwen de hutten (uit koeiedrek gemengd met takken) en hun kinderen hoeden het vee en zorgen voor de kleintjes vanaf het moment dat zij bij hun moeder van de borst zijn. Kindjes van een jaar of 3, misschien 4 lopen met een jonger broertje of zusje op hun rug. Masai zijn zeer trotse mensen, ze houden van juwelen en versiersels en zijn zeer kleurrijk gekleed (veel rood). Hun oorlellen hangen tot op hun schouders door het gewicht van hun oorbellen.

De Masai doen een dansje voor ons en laten ons hun woningen zien. Jammer dat het zo’n commerciële bedoening is. Voor alles moeten ze geld hebben, we moeten zelfs entree betalen.

Op de terugweg zien we een ander prachtig stuk natuur: verspreid over een kale vlakte een aantal acacia’s en grote kuddes giraffen die de blaadjes van de acacia’s eten. Op de achtergrond de Mount Kilimanjaro, met zijn 5895 m de hoogste berg van Afrika. Verder nog een leeuwin met een aantal welpen, honderden olifanten en een moeder en vader cheetah met twee kleintjes. Wat een schitterende dieren.

Op weg naar onze volgende stopplaats: Lake Nakuru National Park, 576 km2 groot. Vandaag moeten we dwars doorheen Nairobi. Van drukte gesproken! Toeterende auto’s, stinkende uitlaten en lange files voor de verkeerslichten. Dat zijn we niet meer gewend. We krijgen een voortreffelijke lunch in het pachtige Nairobi Serena Hotel. Je mag er alleen niet over de tuinmuur heen kijken, vlak achter het hotel liggen de krottenwijken van Nairobi. Onderweg genieten we nog vanop 650 m hoogte van het fantastische uitzicht op de Great Rift Valley, een enorme scheur in de aardkorst die zich over 6450 km uitstrekt van Jordanië tot in het zuiden van Mozambique en die dwars door Kenya loopt en ook hier op zijn breedst is (tussen de 40 en de 55 km).

En dan is er het Nakuru meer met zijn tienduizenden, misschien wel honderdduizend roze flamingo’s. Schitterend. En ook de zeldzame witte neushoorn krijgen we te zien. Ook hier mogen we weer logeren in een mooie lodge: de Lake Nakuru Lodge.

De volgende dag vertrekken we naar ons laatste wildpark: het Masai Mara, een uitloper van de Tanzaniaanse Serengeti. Wellicht het bekendste park van Kenya, 1700 km groot en gelegen op 1650 m hoogte. Het leukste ook, want je mag er met de auto van de weg afwijken, dwars door de wilde natuur. Het reservaat bestaat voornamelijk uit savanne. We worden ondergebracht in de Masai Mara Sopa Lodge. Een weelderige tuin met veel bloeiende hibiscus, reuze kerststerren, frangipane, abutilon, enz.

Tijdens de gamedrive krijgen we de zwarte neushoorn te zien, te onderscheiden van de witte door de vorm van de kop en dus niet door de kleur want ze zijn allebei grijs. We komen nog een aantal families olifant en giraf tegen.

Een prachtig gespierd luipaard wandelt op enkele meters van ons busje voorbij en een paar cheetah’s liggen lekker te luieren in de zon. Een topi maakt op zijn gemak een wandelingetje over de savanne en een lelijke hyena ligt te slapen op het zand. Overdag is er weinig beweging in de brousse, ’s avonds komen de dieren pas tot leven. Aan de Mara River zien we veel watervogels en talloze nijlpaarden drijven als enorme stenen in de rivier.

Overdag tijdens onze vrije tijd spartelen we in het zwembad ; ’s avonds na het diner zitten we zowaar voor het open haardvuur. De ochtenden en de avonden zijn aan de frisse kant hier.

En zo zit onze safari er op. Nog een laatste rit van het Masai Mara naar Nairobi, een spectaculaire rit mogen we wel zeggen. We nemen de “highway”, de verbinding tussen Nairobi/Mombasa in zuidelijke richting en Nairobi/Kisumu in noordelijke richting. Het begrip “highway” is hier dus wel degelijk anders dan dat wij gewend zijn. Het is een smalle strook kapotgereden asfalt. Op plaatsen waar de weg te slecht wordt, maken de chauffeurs er gewoon een eigen weggetje naast met het onvermijdelijke stof en een kapot busje als gevolg. Onderweg nog even stoppen voor het uitzicht op de Longonot vulkaan, een vulkaankegel in de Great Rift Valley. Verder wordt er ons nog een maaltijd aangeboden in The Carnivore, een “beroemd wildrestaurant”. Ik kan niet zeggen dat het eten mij smaakt. Al die prachtige dieren die we de afgelopen week live gezien hebben krijg je hier op je bord. Van een anti climax gesproken.

Op de luchthaven van Nairobi mag ik even voor hostess spelen. De Kenyaan die instaat voor het uitdelen van de vliegtuigtickets krijgt met geen mogelijkheid al die Vlaamse en Franse namen door zijn strot. We worden met zijn allen in een Fokker 50 gepropt en na een korte vlucht landen we waar we ons avontuur begonnen zijn: Mombasa. Van de rust en de stilte van het oerwoud naar Mombasa: erger dan een mierennest. Het is 16u30 en de vochtige hitte beneemt ons de adem.

Strandvakantie

Ons strandhotel ligt ten zuiden van Mombasa, d.w.z. dat we het Likoni veer moeten nemen dat de stad verbindt met de zuidelijke stranden. Het is spitsuur en er zijn nog meer mensen die het veer op willen. Het ziet er letterlijk en figuurlijk “zwart van het volk”.

Na een bustransfer van een uurtje komen we tegen de avond aan in ons paradijs op aarde: hotel Southern Palms Beach Resort aan Diani Beach, een oase van luxe en rust. Het hotel is gebouwd in Afrikaans-Moorse stijl en we hebben een pili-pipi bed in onze kamer, een soort hemelbed dus. Het witte zandstrand is het mooiste dat we ooit zagen. Kilometers lang, praktisch voor ons alleen. De hele week genieten we met volle teugen van zon, zee, strand en zwembad.

We zoeken en vinden de prachtigste schelpen en we vullen een plastic zakje met zand, voor onze verzameling. We gaan kijken wat de vissers zoal bovenhalen in hun netten: gitaarvissen, een reuze rog, grote paarse kwallen.

We maken nog een uitstapje naar het openbare schooltje (lees arme-kinderen-schooltje dat draait op vrijwilligers) van Ukunda. Prachtige zwarte kinderen met grote zwarte ogen die aan je lijf hangen en je omver zouden lopen voor een balpen. De meesten krijgen buiten les, lekker koel onder een grote boom. Schrijven doen ze met hun vinger in het zand. Ze hebben niets, krijgen met wat geluk één keer per dag een maaltijd, maar er is altijd een lach op hun gezicht.
We eten van de lokale keuken: rode bonen, vlees (??) op een stokje, maniok en chapati (zoete aardappel). Al snel hebben we een eendags pleegkind: Said. Met zijn vinger streelt hij zachtjes over de arm van mijn man. Een arm met zoveel haar op schijnt hij nog niet eerder te hebben gezien. We gaan ook nog even bij de plaatselijke medicijnman langs, maar wat hij te vertellen heeft slaat nergens op.

Als afscheid krijgen we van Kennedy, onze persoonlijke security guard, de tekst van een Kenyaans welkomstlied mee:

Jambo, jambo bwana
habari gani, nzuri sana
wageni wakaribishwa
Kenya yetu hakuna matata
Kenya nchi nzuri hakuna matata
Kenya kuna upendo hakuna matata
HAKUNA MATATA.

Een vakantie om nooit te vergeten.